Koelinstallaties voeren warmte af, terwijl elders op dezelfde site ketels draaien om warmte te produceren. Volgens Stefan Timmers, Consultant Building Services bij Haskoning, liggen juist in die combinatie kansen voor verduurzaming. Voor voedingsbedrijven begint een doordachte inzet van warmtepompen daarom bij inzicht in het huidige warmte- en koudeverbruik, en zo mogelijk ook voor de toekomst. De volgende uitdaging is minstens zo belangrijk: de omschakeling realiseren terwijl de productie doorgaat.
Haskoning begeleidt bedrijven van het bepalen van hun CO₂-voetafdruk en energiestrategie tot de uitvoering van technische aanpassingen. Timmers houdt zich vooral bezig met die vertaalslag naar bestaande sites. Welke installaties staan er? Hoe werken ze samen? En hoe kun je stap voor stap verduurzamen zonder de dagelijkse bedrijfsvoering te onderbreken? Die continuïteit is volgens hem een essentiële voorwaarde bij industriële opdrachtgevers.
Een eerste aandachtspunt is het temperatuurniveau waarop warmte wordt aangeboden. Timmers ziet dat op industriële sites historisch veel verbruikers op stoom zijn aangesloten, eenvoudigweg omdat die voorziening aanwezig is. Toch heeft niet elke toepassing die warmtekwaliteit nodig. Door per proces te onderzoeken welke temperatuur werkelijk noodzakelijk is, wordt duidelijk waar een overstap naar warm water mogelijk is.
Dat onderzoek is relevant voor de inzet van warmtepompen Hoe kleiner het temperatuurverschil dat een warmtepomp moet overbruggen, hoe gunstiger het rendement doorgaans is. De vraag is dus welke verbruikers op een lager temperatuurniveau kunnen functioneren en hoe beschikbare warmte daarbij aansluit. Processen met specifieke temperatuurvereisten blijven het uitgangspunt; de installatie moet daarop worden afgestemd.
Bij bestaande fabrieken hangt de beste route sterk af van de aanwezige installaties. Een stoomketel die pas twee jaar draait, vraagt een andere afweging dan een installatie die aan vervanging toe is. Hetzelfde geldt voor koelmachines, leidingnetten en andere technische voorzieningen. Timmers onderzoekt daarom waar noodzakelijke vernieuwing en verduurzaming elkaar kunnen versterken.
Een capaciteitsuitbreiding of het einde van de levensduur van een koelmachine kan een logisch moment zijn om de energievoorziening anders te organiseren. Zo beoordeel je de investering in samenhang met uitgaven die toch al nodig zijn. Volgens Timmers ontstaat daardoor vaak een andere businesscase dan wanneer je uitsluitend de kosten van een afzonderlijke verduurzamingsmaatregel bekijkt. Tegelijk vraagt uitvoering op een draaiende site om extra voorbereiding en soms tijdelijke voorzieningen. Ook die kosten horen bij de afweging.

Een project op een industriële campus buiten de voedingssector illustreert die aanpak. Daar stonden koelmachines warmte af te voeren, terwijl cv-ketels elders op de site in de warmtevraag voorzagen. Meerdere koelcentrales waren bovendien toe aan vernieuwing. Haskoning keek daarom naar de mogelijkheden om de gebouwen en hun energievoorzieningen met elkaar te verbinden.
De oplossing was een ringnet met water als drager van thermische energie. Via een koude en een warmere leiding worden productiegebouwen en kantoren gekoppeld. Het water neemt warmte op uit de productievoorzieningen. Warmtepompen benutten die energie vervolgens om gebouwen te verwarmen. Het afgekoelde water keert terug en kan opnieuw warmte uit de productie opnemen. In de zomer kan het net ook de kantoren koelen via de industriële koelinstallaties.
Volgens Timmers leveren de warmtepompen op deze site in de winter ongeveer 80% van de koudevraag. Dat maakt zichtbaar hoe verwarming en koeling elkaar kunnen aanvullen. Voor een voedingsbedrijf is vooral de achterliggende onderzoeksvraag relevant: waar vallen warmte- en koudevraag samen, en laten de benodigde temperaturen toe om die stromen te koppelen?
Het ringnet maakte ook een gefaseerde vervanging van koelinstallaties mogelijk. Doordat centrales met elkaar verbonden waren, konden andere delen van het systeem de koeling ondersteunen wanneer een centrale werd aangepakt. Die gedeelde reservecapaciteit verhoogt volgens Timmers de beschikbaarheid en biedt ruimte om werkzaamheden uit te voeren terwijl de bedrijfsvoering doorgaat.
Juist daar zat een belangrijk economisch voordeel. Bij afzonderlijke vervanging zouden tijdelijke koelmachines nodig zijn geweest, met bijbehorende tijdelijke stroomvoorzieningen. Door eerst de ring aan te leggen, kon een groot deel van die huurkosten worden vermeden. Volgens Timmers kon het ringnet daardoor grotendeels worden betaald uit uitgespaarde tijdelijke voorzieningen. Het budget leverde zo infrastructuur op die ook na de vervangingswerkzaamheden bruikbaar bleef voor de energie-uitwisseling tussen gebouwen.
Om zulke kansen te herkennen, is inzicht nodig in het verbruik achter de hoofdmeter. Timmers krijgt bij bestaande sites vaak een energierekening of een totaalprofiel van gas- en elektriciteitsverbruik te zien. Daarmee weet je hoeveel energie een bedrijf afneemt, maar nog niet welke processen die energie gebruiken en op welke momenten.
Deelmetingen maken die verdeling zichtbaar. Door verbruiksgegevens te verbinden aan temperaturen, bedrijfsuren en productieactiviteiten, kunnen kansrijke combinaties worden onderzocht. Ook voor data-analyse en AI blijft die proceskennis noodzakelijk, benadrukt Timmers. Een verbruikscurve zonder context vertelt onvoldoende over de samenhang tussen warmte, stoom en koeling op een specifieke site.
De grootste belemmering is volgens Timmers soms de schaal waarop bedrijven hun installaties bekijken. Technische verantwoordelijken kennen hun eigen gebouw of installatie goed, maar de mogelijkheden tussen gebouwen blijven makkelijker buiten beeld. Historisch gegroeide sites kunnen zelfs meerdere ketelhuizen hebben waarvan de onderlinge samenwerking nauwelijks wordt onderzocht.
Voor voedingsproducenten ligt daar een praktisch vertrekpunt: breng warmte- en koudevraag samen in kaart en leg die naast onderhoud, vervanging en uitbreidingsplannen. Zo wordt duidelijk waar een warmtepomp past en welke infrastructuur daarvoor nodig is. Het campusvoorbeeld laat zien hoe een gezamenlijke blik op energievoorziening en bedrijfscontinuïteit kansen kan openen die bij een beoordeling per installatie verborgen blijven.
Wil je de energievoorziening van je voedingsbedrijf verduurzamen? Ontdek hoe Uticon, nu onderdeel van Haskoning, je daarbij kan ondersteunen.
Neem dan rechtstreeks contact op met Haskoning (Consulting & Engineering Services).
Contact opnemen